Een werknemer wordt ziek tijdens haar derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd. De kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vermoedt dat dit komt door de ziekte van de werknemer en oordeelt dat daarom sprake is van ongelijke behandeling. De werkgever wordt in de gelegenheid gesteld het tegendeel te bewijzen.

De werknemer is als assistent filiaalhouder in dienst van een speelgoedwinkel op basis van een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Gedurende dit derde arbeidscontract wordt ze ernstig ziek; ze lijdt aan een vorm van borstkanker met uitzaaiingen. Haar arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd.

Gelijke behandeling

De werknemer eist bij de kantonrechter een billijke vergoeding. Ze vindt dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met het verbod om onderscheid te maken op grond van chronische ziekte. Volgens de wet is het verboden om bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding op basis daarvan onderscheid te maken. Daarvan is sprake als iemand vanwege een chronische ziekte anders wordt behandeld dan anderen in een vergelijkbare situatie. Dit verbod geldt ook bij het (al dan niet) verlengen van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd.

Chronische ziekte

De kantonrechter bekijkt eerst of sprake is van een chronische ziekte. In lijn met Europese rechtspraak is daarvan sprake bij een ‘beperking die het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen’. Daarvan is volgens de kantonrechter bij deze vrouw sprake, omdat geen sprake is van (volledig) herstel van de werknemer en herstel überhaupt allerminst zeker is. Dit oordeel van de kantonrechter strookt ook met oordelen van het College van de Rechten van de Mens, waarin (borst)kanker wordt aangemerkt als chronische ziekte.

Verboden onderscheid

Volgens de vrouw heeft de werkgever de arbeidsverhouding niet voortgezet vanwege haar ziekte. Ze benadrukt dat ze goed functioneerde, dat collega’s geen problemen met haar hadden en dat er geen reden is gegeven voor het niet voortzetten van de arbeidsverhouding. Uit berichtenverkeer tussen haar en de werkgever blijkt verder dat de werkgever bereid is de vrouw na haar herstel weer in dienst te nemen. Op basis hiervan heeft de kantonrechter het sterke vermoeden dat de ziekte van de vrouw een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de arbeidsverhouding niet voort te zetten. De kantonrechter geeft de werkgever de mogelijkheid het tegendeel te bewijzen. Tot die tijd doet de kantonrechter geen definitieve uitspraak.

ECLI:NL:RBZWB:2024:2334

 

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2024:2334 | 21-03-2024