Kunnen bedrijfsbestuurders aansprakelijk worden gesteld als hun onderneming te snel groeit en daardoor failliet gaat? Niet als het gaat om misrekeningen of achteraf onjuiste beoordelingen van de markt.

Deze zaak gaat over een vennootschap die zich richtte op het genereren van leads op internet. Het bedrijfsmodel was in hoge mate afhankelijk van ‘Google Adwords’, een dienst van Google waarbij ondernemingen (zoals dit bedrijf) online advertentieruimte kunnen inkopen. De vennootschap had goed contact met Google en zij hadden regelmatig overleg met elkaar. Voor Google was deze vennootschap een grote speler.

Groeiversnelling

Als de vennootschap 10 jaar bestaat, wordt besloten in te zetten op een groeiversnelling. Het rekening-courantkrediet bij de bank wordt verhoogd van € 200.000 naar € 500.000 en daarna naar € 1.050.000. Twee jaar later ontstaan er betalingsproblemen. De vennootschap betaalt Google steeds te laat, ook bij de Belastingdienst ontstaan schulden. De bank wil niet nog meer krediet verstrekken, omdat de rentabiliteit van het bedrijf te laag is. Als Google haar dienstverlening staakt, wordt de vennootschap failliet verklaard.

Roekeloos

De curator wil dat beide bestuurders van het bedrijf hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het boedeltekort, omdat zij hun bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. De rechtbank wijst dit af. Daartegen gaat de curator in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. Daar betoogt de curator dat de bestuurders de liquiditeitsproblemen zelf hebben veroorzaakt en daarmee de continuïteit van de onderneming in gevaar hebben gebracht. Ze gingen voor een harde groeiversnelling van de omzet zonder zich daar goed op voor te bereiden. Verder hebben zij de onderneming voortgezet zonder realistisch en concreet uitzicht op verbetering van de financiële positie. Dat was roekeloos en onbezonnen. De bestuurders hadden moeten begrijpen dat de schuldeisers hierdoor zouden worden gedupeerd. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur, aldus de curator.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

In de wet staat dat bij een faillissement iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De vraag is: heeft het bestuur zijn taak niet behoorlijk vervuld? Dan moet worden gekeken naar wat het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde. Het moet gaan om schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak, niet zozeer om fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen. De regel die de Hoge Raad in 2001 stelde is: van kennelijk onbehoorlijk bestuur is pas sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld. Verder moet de bestuurder hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat schuldeisers zullen worden benadeeld.

Risicovolle beslissing

In deze zaak, zo oordeelt het gerechtshof, was de handelwijze van de bestuurders niet onbezonnen en roekeloos. Het kan zijn dat de bestuurders een rooskleurige toekomstverwachting hadden en daardoor een risicovolle beslissing hebben genomen om de onderneming hard te laten groeien. Dat dit niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, is onvoldoende voor het aannemen van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook staat niet vast dat deze beslissing niet behoorlijk is voorbereid. Het bedrijf was actief in een markt waarin de ontwikkelingen elkaar in hoog tempo opvolgden en waarop de bestuurders voortdurend moesten reageren om in de technologische en innovatieve voorhoede te blijven. Niet kan worden gezegd dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld zoals de bestuurders hebben gedaan.

Niet hoofdelijk aansprakelijk

Nu de bestuurders niet onbehoorlijk hebben gehandeld, zijn ze ook niet hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. De curator verliest deze zaak en moet de kosten van de procedure in hoger beroep betalen: € 343 aan griffierecht dat de bestuurders hebben betaald en € 18.651 voor hun advocaatkosten.

ECLI:NL:GHDHA:2024:778

Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2024:778 | 13-05-2024