Verzuim zonder ingebrekestelling
HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:575.
Deze zaak gaat over het moment waarop verzuim intreedt en in het bijzonder over de vraag of een schuldeiser het recht verliest zich op al ingetreden verzuim te beroepen wanneer hij de schuldenaar daarna toch nog een laatste kans geeft om alsnog na te komen. De Hoge Raad heeft bevestigd dat dit in beginsel niet het geval is: als verzuim al van rechtswege is ingetreden, doet een later schikkings- of nakomingsvoorstel van de schuldeiser daar niet zonder meer aan af.
Partijen waren een koper en de verkopers van een perceel. Uit de conclusie van de A-G blijkt dat het ging om een geschil over de levering van een perceel en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding wegens niet-nakoming. De koper stelde schade te hebben geleden doordat de verkopers het perceel niet leverden, terwijl de verkopers zich onder meer verweerd hebben met stellingen over het moment waarop eventueel verzuim was ingetreden.
Het standpunt van de koper kwam er in essentie op neer dat de verkopers al op een eerder moment in verzuim van rechtswege waren geraakt, omdat uit een mededeling van de verkopers duidelijk bleek dat zij hun verplichting tot levering niet zouden nakomen. Volgens de koper was daarom geen ingebrekestelling meer nodig en kon hij aanspraak maken op schadevergoeding vanaf dat eerdere moment. Dat de koper daarna nog een brief had gestuurd waarin de verkopers alsnog een termijn werd gegund om te laten weten dat zij bereid waren na te komen, betekende volgens de koper niet dat het eerder ingetreden verzuim daarmee verviel of opschoof.
Het standpunt van de verkopers was in essentie dat van verzuim op dat eerdere moment geen sprake was, althans niet langer, omdat de koper hen nadien nog gelegenheid had geboden om alsnog na te komen. In die gedachtegang zou de latere brief van de koper meebrengen dat niet meer kon worden uitgegaan van het eerder gestelde moment van verzuim, of dat de koper in elk geval niet meer zonder meer op dat eerdere verzuim mocht terugvallen.
In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering van de koper voor een belangrijk deel afgewezen. Dat volgt uit de conclusie van de A-G, waarin uitdrukkelijk staat dat de rechtbank de vordering van de koper grotendeels niet heeft toegewezen.
In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de verkopers, hoewel de koper uit een op zichzelf duidelijke mededeling van de verkopers kon afleiden dat zij tekort zouden schieten in de nakoming, toch niet reeds op dat eerdere moment in verzuim waren geraakt, althans dat daarop niet zonder meer kon worden teruggevallen. Het hof betrok daarbij onder meer de latere brief van de advocaat van de koper, waarin de verkopers alsnog een termijn werd gegeven om te laten weten dat zij bereid waren na te komen. Daarmee legde het hof de nadruk op het latere gedrag van de koper.
De Hoge Raad heeft dat oordeel van het hof vernietigd. De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van art. 6:83, aanhef en onder c, BW verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Als die verbintenis opeisbaar is, treedt het verzuim dan van rechtswege in. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat het enkele feit dat de schuldeiser de schuldenaar nadien nog de gelegenheid geeft om alsnog na te komen, niet betekent dat hij afstand doet van zijn recht om zich op het eerder ingetreden verzuim te beroepen, en evenmin dat sprake is van rechtsverwerking. Voor afstand van recht of rechtsverwerking zijn nadere, bijzondere omstandigheden nodig, en die waren hier niet vastgesteld (vergelijk HR 6 mei 1921, NJ 1921,. p. 796).
Daarmee corrigeert de Hoge Raad het hof op een principieel punt: een schuldeiser die, nadat de schuldenaar feitelijk heeft laten weten niet te zullen nakomen, nog probeert een procedure te voorkomen door een laatste kans of schikkingsmogelijkheid te bieden, verliest daarmee niet automatisch zijn beroep op het reeds ingetreden verzuim. De Hoge Raad sluit daarmee aan bij oudere rechtspraak dat afstand van recht niet lichtvaardig mag worden aangenomen.
Les uit deze uitspraak: als verzuim eenmaal van rechtswege is ingetreden door een duidelijke mededeling van de schuldenaar dat hij niet zal nakomen, dan verliest de schuldeiser dat verzuim niet zomaar doordat hij de schuldenaar daarna nog een kans geeft om alsnog na te komen of tot een regeling te komen.
Voor meer vragen hierover kunt u contact opnemen met Gijs van Poppel (+31 6 55 88 46 75)